Ik keek vanaf de bank naar Tzummarum 2 tegen Minnertsga 3 en ik dacht: dit is misschien wel het treurigste, maar ook eerlijkste voetbal dat er bestaat.
Geen camera’s. Geen statistieken. Geen jongens van zestien miljoen die met handschoenen aan uit een touringcar stappen met een grote gesponsorde koptelefoon met noise-cancelling van 300 euro over de oren heen. Alleen mannen van middelbare leeftijd die op de fiets aankomen met een sporttas schuin over de bagagedrager. Mannen die al moe van de fiets stappen voordat de warming-up begonnen is.
Je ziet het direct aan hoe ze hun fiets neerzetten.
Voorzichtig.
Alsof het dan al in de lies kan schieten.
Ergens vind ik dat ontroerend. Dat mannen tussen de dertig en vijftig nog steeds denken: kom, we gaan achter een bal aan rennen terwijl de knieën klinken als een plastic boodschappentas vol kapotte kerstlampjes. Mannen die de kousen omlaag doen, omdat ze dat op tv hebben gezien bij een gast
De wedstrijd zelf was verschrikkelijk.
5-2 verloren. Als je de tatoeages en gevangenisstraffen bij elkaar op zou tellen, had deze uitslag er ook gestaan.
Na twintig minuten liep iedereen al met de armen omlaag. Niet uit tactische overwegingen, maar omdat dat fysiek minder pijn deed.
Tuurlijk, het had net voor rust 3-2 kunnen worden, maar het stond 4-1.
De spits van Minnertsga 3 (vroeger van Tzummarum) had het lichaam van iemand die vroeger goed was geweest. Dat zie je meteen. Zo iemand neemt een bal nog steeds perfect aan, maar draait daarna alsof hij een stacaravan achter zich heeft hangen. Zo een die je kunt vinden in de bossen van Drenthe!
Bij 5-2 probeerde iemand van Tzummarum nog een sliding. Een prachtige sliding ook. Alleen gebeurde hij ongeveer anderhalve seconde te laat. De man gleed langzaam door richting de dug-out alsof hij onderweg spijt kreeg van zijn hele leven.
En toch.
Toch zit daar schoonheid in.
Want niemand stopt.
Iedereen weet dat het nergens meer over gaat. Kampioen word je niet. Scouts komen niet meer kijken. Het enige wat nog echt telt is de derde helft en toch blijven ze fanatiek mopperen op elkaar alsof er Champions League-voetbal op het spel staat.
“DEK NOU EENS DOOR!” “ZET MAAR DRUK!!”
Een man met een buikje roept het naar een andere man met exact hetzelfde buikje.
Prachtig.
Na afloop zitten ze in de kantine. Rode koppen. Bier in plastic glazen. Iemand met modder tot achter zijn oren vertelde drie keer hetzelfde verhaal over die kans in de tweede helft.
Niemand luisterde echt.
Maar iedereen begreep het.
Dat is het mooie van de kelderklasse.
De wedstrijd ben je vaak alweer vergeten voordat je onder de douche vandaan komt, maar de zaterdag blijft hangen. De geur van nat gras. Een fietslamp die het niet doet. Een veel te harde tackle tussen twee mannen die maandag gewoon weer op kantoor zitten.
Treurig en tegelijkertijd zo mooi.
Misschien is dat uiteindelijk voetbal.
Niet de perfectie.
Maar mannen die blijven komen, terwijl het lichaam allang iets anders heeft besloten.
